Hallo Residentie
Envoyer par email Imprimer
content-picture
Publié le vrijdag 19 augustus 2011
**Résumé

Voor de verschillende meetsystemen en/of meters, die aan de basis liggen van elke herverdeling van verbruikskosten, neemt de mede-eigenaar / bewoner best (vooraf-gaandelijk) kennis van onderstaande toelichtingen ter zake.   0 - Inleiding  

Voor de verschillende meetsystemen en/of meters, die aan de basis liggen van elke herverdeling van verbruikskosten, neemt de mede-eigenaar / bewoner best (vooraf-gaandelijk) kennis van onderstaande toelichtingen ter zake.

 

0 - Inleiding

 

Door de stijging van de brandstofprijzen heeft het aandeel van de aan­koop van brandstof in het budget van residentiële gebou­wen met een gemeenschappelijke cen­trale verwarmingsin­stallatie, een relatief groot belang gekregen.

 

Het spreekt dan ook voor zich, dat de wijze waarop deze brand­stofkos­ten over de verschillende panden verdeeld wor­den, aan belang heeft gewonnen. Indien niet helemaal cor­recte grondbe-ginselen aan de basis liggen van het verdeling en/of het verde­lingssysteem, kunnen de fouten in de kostenver­deling oplopen tot niet meer te verwaarlozen bedragen.

 

In ietwat oudere gebouwen, waar het verwarmingssysteem en voor­al de verdeelwijze van de brandstofkosten ontworpen zijn in een tijd toen de brandstof nog echt goedkoop kon aange­kocht worden, kan het nood­za­kelijk zijn deze verdeel­wijze te herdenken en eventueel wijzigingen door te voeren.

 

Om toe te laten hierover naar behoren te oordelen, moeten we de gang­bare meet- & verdeelsys-temen toelichten, en daarbij de mogelijke problemen vermelden.

 

1 - Centrale verwarming : Schema

 

De gebruikelijke centrale verwarmingsinstallatie bestaat uit :

 

1.1 - Een brander die de brandstof (lichte stookolie, gasolie of aard­gas) tot ontbranding brengt in de verbrandings­ka­mer. Hier omheen is een warmtewisselaar gebouwd, waarin het me­dium dat straks de warmte zal dienen over te brengen naar de verschil­lende kavels, met name water, op-ge­warmd wordt tot tussen de 60 & 90°C.

 

Door allerlei regelingsapparatuur werkt deze stookketel vol­ledig automatisch en houdt het water in de ketel per­ma­nent op temperatuur.

 

1.2 - Vanuit de ketel vertrekt een stijgleiding die het warme water naar de verschillende verdie-pingen en kavels zal aan­voe­ren. Nadat het hier door de leidingen en radia­toren in de ka­vels heeft gecircu­leerd keert het, langs een re­tour­lei­ding, terug naar onderaan de  warm­tewis­se­laar in de stook­ke­tel.

 

1.3 - Bij zijn terugkeer is het water uiteraard gedeeltelijk afgekoeld waarop de ketelthermostaat reageert en het water terug opwarmt tot de ingestelde temperatuur.

 

Het water bevindt zich dus in een gesloten circuit, waar­in het op een natuurlijke wijze reeds cir-culeert door de ‘ther­mo-syphonwerking'. In praktisch alle moderne instal­la­ties wordt deze circula-­tie door stijg & retour­lei­dingen langs de panden nog geactiveerd door een cir­cula­tie­pomp die in de stookplaats in het circuit is in­gebouwd en het water aan­jaagt.

 

1.4 - Op de verdiepingen zelf wordt elke radiator door leidin­gen met de stijgleiding en retourlei-ding verbonden. Het  warme water circuleert dus door de leidingen en ra­dia­tor van stijg­leiding (warm water) naar retourlei­ding (afgekoeld water).

 

De radiator fungeert als warmtewisselaar en brengt de warm­te, die hij aan het water ontneemt, door convectie in het lokaal.

 

De koppeling van de radiator op stijg- & retourleiding kan op ver­schillende manieren gebeuren. In grote lijnen zijn twee types van concept gangbaar :

 

     a) Stijg- & retourleiding staan opgesteld in een cen­trale kolom (meestal in de trapzaal) waar-van op elke verdie­ping elke kavel af­zon­der­lijk eenmaal aftakt op stijg- & re­tour­leiding. Langs deze ene af­tak­king wor­den alle ra­dia­toren van de kavel gevoed.

 

Bij deze uitvoering wordt dan meestal een gemotoriseer­de af­sluitkraan op de aftakking van de stijg­lei­ding ge­plaatst die de be­diening van de ver­war­ming met een kamerther­mo­staat voor het ganse appar­te­ment toe­laat.

 

     b) Stijg- en retourleidingen worden zoveel maal ontdub­beld als er radiatoren zijn en gaan telkens omhoog ongeveer aan de plaats van de radiatoren in de kavel.

 

Elke radiator krijgt op dat ogenblik een rechtstreekse kop­pe­ling aan de stijg- & retourleiding.

 

Op die manier uitgevoerd bevinden de stijg- & retour­lei­dingen zich praktisch altijd binnen de ka-vels zelf en be­dienen alle boven elkaar staande radia­toren in de ver­schil­lende boven el­kaar liggende kavels. Be­diening met een ge­motoriseerde afsluitkraan en één ther­mo­staat voor het ganse appartement is op dat ogenblik uitge­sloten. De rege­ling zal radiator per radiator moeten gebeuren.

 

1.5 - In de meeste gevallen is op de stookketel nog een boiler aange­sloten die, middels een af-zonderlijke warmte­wis­se­laar, zorgt voor de sanitaire warmtewatervoorzie­ning. Dit ui­ter­aard langs een af­zon­der­lijk leiding­stelsel.

 

De verdeling van de kosten voor opwarming van het sanitaire warme water vormt een afzonder-lijk te behandelen pro­bleem. Dit verbruik is echter, vooral gedurende de zo­merperiode niet te verwaarlozen, omdat op dat ogen­blik alle vaste kos­ten van de stookinstallatie ei­gen­lijk dienen door­gere­kend op het verwarmen van het water.

 

1.6 - Aan deze schematische installatie wordt allerlei appara­tuur toe­gevoegd om ze toe te laten veilig, zonder veel toe­zicht, en met een optimaal rendement te wer­ken (bv. open of gesloten expansieva­ten, overdrukventiel enz.). Thans wordt vooral het elektronisch regelpa­neel met bui­tenvoelers toegepast.

 

Dit elektronisch apparaat meet langs een buitenvoeler de evo­lutie van de buitentemperatuur en regelt in verhouding daarmee automatisch de tempera­tuur van het ketelwater en de tem­pe­ra­tuur van het water dat aan­ge­voerd wordt naar de kavels.

 

1.7 - De individuele regeling van de verwarming (per apparte­ment en per lokaal) wordt bekomen door:                               
- één (of meer) kamerthermostaten gekoppeld aan een ge­mo­tori­seerde afsluitkraan;
 - gewone radiatorkraan, die op het gevoel worden inge­steld;
- thermostatische radiatorkranen.

(Beide laatste in moderne installaties gekoppeld met een ge­meen­schap­pelijk regelsysteem van het klimatolo­gisch ty­pe).

 

2 - Waar gaat de verbruikte brandstof naartoe ?

 

Het brandstofverbruik is in grote lijnen op te splitsen in volgende delen.

 

2.1 - Verbranding-, ketel- en schouwverliezen (Geen enkele verbranding is volledig).

 

De rookgassen die langs de schouw verdwijnen nemen ook een gedeel­te van de warmte mee. In de modernste, goed en re­gelma­tig onder­hou­den installaties, streeft men naar ver­bran­dings-ren­dementen boven  90%.

85% wordt als goed aangenomen (bij de afregeling). De onvermijdelijke vervuiling tijdens het stookseizoen doet het ren­dement nog dalen, en in vele oudere in­stalla­ties, is derge­lijk rendement zelfs moeilijk te berei­ken.

 

2.2 - De leidingen van de centrale verwarming (vooral stijg- & retour­lei­ding) geven ook een ge-deelte warmte af. Aangezien deze leidingen voor een groot deel in de ge­mene kelders en kokers zijn opgesteld, worden deze hierdoor opgewarmd.

 

2.3 - Het belangrijkste deel (maar dus nooit 100%) wordt door de radi­atoren in de te verwarmen lokalen afgegeven.

 

2.4 - Door onderlinge uitwisseling van de warmte tussen verwarmde en niet-verwarmde lokalen, verspreidt de warmte zich ge­deel­telijk over gans het gebouw tussen kamers van een­zelfde ka-vel, maar uiteraard ook tussen verschillende kavels.

 

Eveneens gaat uiteindelijk de verwarming langs de bui­ten­muren en dak van het gehele gebouw naar aan­palende ge­bouwen/kavels en bui­tenlucht.

 

Uiteindelijk dient alle warmte, die waar dan ook in het ge­bouw wordt toegevoegd, om de warmte-verliezen naar buiten toe, waar het noodzake­lijkerwijs kouder is, te compenseren.

 

3 - Toegepaste meetsystemen

 

Elke kavel stelt door zijn ligging, inrichting, isola­tie, an­dere ver­warmingstoestellen en vooral de wensen van de gebrui­kers, zijn eigen verwarmingseisen.

 

Aangezien deze zelfs voor identieke kavels niet gelijk zij­n, wordt er door meetsystemen naar ge-streefd door een min of meer grove benade­ring, de door elk pand opgenomen warmte te regis­treren.

 

Aannemend dat deze registratie een billijke aanduiding van de afge­nomen warmte door elke ka-vel aangeeft, kan dan een propor­tionele verdeling van de brandstofkosten gebeuren.

 

De gebruikte systemen zijn de volgende (zonder dat de volg­orde enige vorm van preferentie in-houdt) :

 

3.1 - Debietmeters

 

In feite gewone watermeters die opmeten hoeveel (warm)water naar elke kavel is gestroomd. Hierbij wordt uitgegaan van de onderstelling dat elke m3 water die door een appartement stroomt, er evenveel warmte afgeeft (basisfout).

 

Nadelen

- Zeer grove benadering die dan ook grove fouten in de be­reke­ning teweegbrengt.

- Watermeters zijn meestal geconstrueerd voor koud water en raken zo toegepast dan ook ge-makkelijk defect wat het meet­sys­teem, dat meest­al met slechts één meter per ap­par­te­ment werkt, helemaal doet falen.

 

Voordelen

Goedkoop in installatie (bij de oprichting van het gebouw !).

 

Conclusie

Dit verouderde meetsysteem wordt praktisch niet meer aange­wend en is stellig af te raden.

 

3.2 - Uurmeters (Horameters)

 

Elektrische urentellers die in verbinding met een gemotori­seer­de af­sluitkraan per appartement (bediend door de kamer­thermo­staat) worden geplaatst.

 

Deze afsluitkraan kent dan theoretisch slechts twee standen 

- volledig dicht (theoretisch !)     of      - volledig open  (theoretisch !).

 

De kamerthermostaat die de elektromotor bedient, de kraan opent en sluit, brengt tegelijk een elektrische teller in werking die de tijd opmeet dat de kraan openstaat. Hierbij wordt van de on-derstelling uitgegaan dat de hoeveel­heid water die in een bepaalde tijdspanne door de geopen-de kraan en zo door leidingen en radiatoren van het pand stroomt een onver­anderlijke hoeveel-heid warmte afgeeft in het pand (basisfout).

 

Nadelen

- Grove benaderingsmethode die dus ook grote fouten veroor­zaakt;

- Zeer gevoelig voor defecten (defecten aan motorische af­sluit­kraan - thermostaat - elektriciteit), in de ergste ge­vallen kunnen in de praktijk uren opgeteld worden zon­der enige vorm van verwar-ming en omgekeerd;

- door aangepaste bedieningsmethoden is het aangeduide ver­bruik te beïnvloeden zonder de warmtetoevoer te ver­min­de­ren;

- fraudeermogelijkheden.

 

Voordelen

- Goedkoop in de installatie toen de bediening van de ver­war­ming met één thermostaat per ap-partement algemeen gang­baar was.

- Staat meestal in de gemeenschappelijke trapzaal (koker) op­gesteld  wat de opname vergemak-kelijkt.

 

Conclusie

Verouderd meetsysteem, af te raden.

 

3.3 - Caloriemeters op de radiatoren op basis van verdampings­buisjes.

 

Op elke radiator wordt een klein buisje met een speciale vloeistof bevestigd die door de warmte afgegeven door de radi­ator geleidelijk verdampt. De verdampte hoeveelheid vloeistof (meestal over 1 jaar) dient een indicatie te geven van de door de radiator afgegeven warm­te.

 

Deze toestelletjes worden verdeeld door firma's die het systeem vol­ledig commercialiseren. Dit door het leveren en plaatsen van de metertjes, het jaarlijks vervangen van de verdampings­buisjes en de gecompliceerde berekeningsmethode, maken dat deze toepassing een hele orga-nisatie vergt.

 

Nadelen

- Opname binnen de appartementen noodzakelijk (dus eenmaal per jaar dienen alle apparte-menten op dezelfde dag toe­gan­kelijk te zijn; bij afwezigheid worden bijko­mende kos­ten voor het be­trokken appar­te­ment aangerekend)

- Fraudeermogelijkheden ? (de verdelers beweren dat deze uit­gesloten zijn);

- Kostprijs : jaarlijkse huur (inclusief opname en verdeel­kos­ten) : ca. 3,50 €/jaar en per radiator (koopmoge­lijk­heid be­staat).

 

Voordelen

- Door één meter per radiator, jaarlijks nazicht en vervan­ging der buisjes, eenvoud van het toestel ko-men prak­tisch geen de­fecten voor.

- Tegenover andere caloriemeters, die (theoretisch) exactere weergave van het gebruik geven, blijft dit systeem nog 'betaal­baar'

- Geen installatiekosten (begrepen in huurgeld).

 

3.4 - De elektronische meters met één of twee sondes

 

Zoals bij de verdampingsbuisjes (en er op geïnspireerd) wordt dit toestelletje op elke radiator geplaatst. Het toestel meet permanent de temperatuur op de radiator en voor het model met twee sondes ook de omgevingstemperatuur.

 

Principieel werkt het toestel gelijkaardig aan de calorie­meter op basis van verdampingsbuisjes. De meetfouten zijn echter veel kleiner en de nauwkeurigheid groter. 

 

Ook de aflezing die gebeurt op tellers in cijfers is een stuk ge­makkelijker dan bij de buisjes. De gebrui­ker kan door die eenvoudige aflezing zijn verbruik in de loop van de stook­pe­riode opvolgen.

 

Nadelen

- Opname binnen het appartement (jaarlijkse opname met even­tuele vervanging van de batterij-tjes afhankelijk van het type).

- Jaarlijks huur ca. 12,00 à 15,00 € per radiator en per jaar. (Koop­mogelijkheid bestaat).

 

Voordelen

- Zelfde als meters met verdampingsbuisjes

- Is wel nauwkeuriger

- Laat gemakkelijke opname en in het oog houden van het ver­bruik door cijferaflezing toe.

- Kan ook bij radiatorkasten gebruikt worden

 

 

3.5 - De elektronische warmtemeter met drie sondes

 

Ook bij dit toestel worden zoals bij beide vorige meetsys­temen alle radiatoren en convectors uit-gerust met een me­ter.  Bij dit type worden er door de sondes drie metingen gedaan :

 

- De temperatuur van het aangevoerde warme water bij de  ingang van de radiator (radiatorknop)

- De temperatuur van het water bij de uitgang van de radia­tor (retourleiding)

- De omgevingstemperatuur.

 

Het verbruik wordt aangetekend op een gemakkelijk afleesbare cijfer­schaal.

 

Nadelen

- Jaarlijks opname binnen elk appartement

- Jaarlijks huurprijs : +/- 30,00 €/meter/jaar.

- Kostprijs aankoop : +/- 90,00 € per stuk.

 

Voordelen

- Grote nauwkeurigheid zonder de nadelen van de integrerende calo­riemeters (die ook het debiet opmeten).

- Gemakkelijke aflezing

- Kan ook bij radiatorkasten gebruikt worden

 

3.6 - Integrerende caloriemeters

 

Compact toestel dat door de meting van:

 

                 - Het debiet van het door het appartement stromend water

                 - De temperatuur van het water als het binnenkomt

                 - De temperatuur van het water als het terug buiten het appar­tement gaat 

 

en integratie van deze drie gegevens, meestal langs elek­troni­sche weg, theoretisch een juiste op-gave bekomt van de in het pand afge­nomen warmte.

 

Nadelen

- Gecompliceerd toestel dat zonder vrij duur regelmatig onder­houd, na een aantal jaren defect raakt;

- Vraagt meestal ernstige aanpassingen aan de leidingen (in­bouwen van de temperatuurvoelers);

- Duur in de aanschaf en dus ook in de vervanging (+/- 600,00 €)

- Onderhoud en nazicht alleen mogelijk door gespecialiseerde techni­cus.

 

Voordelen

- Theoretisch exacte opgave van het afgenomen warmtever­bruik.

 

Conclusie

Wordt weinig toegepast gelet op de hoge kostprijs. Het meetsysteem in is bepaalde gevallen zelfs duurder dan hetgeen gemeten wordt.

 

4 - Verdeelsysteem van verwarmingskosten

 

Ongeacht het toegepaste meetsysteem en volledig onafhanke­lijk ervan moet men bij de bepa-ling van het verdeelsysteem uitgaan van volgende overwegingen :

 

Een gedeelte van de warmte, die door een bepaalde kavel wordt ge­vraagd van de stookketel, gaat verloren door :
- Rendementsverliezen van de stookinstallatie

- Warmteverliezen in de gemeenschappelijke lokalen

- De warmte die door de radiator wordt afgenomen van het water in een bepaalde kavel, gaat ook voor die kavel ge­deeltelijk verlo­ren door afgifte aan gemeen­schappe­lijke lokalen en aanpa­lende kavels, waardoor ook andere gebrui­kers van deze warmte profite­ren.

 (Er is effec­tief weinig onderlinge warmte-isolatie tussen de pan­den).

 

Het is dan ook noodzakelijk een gedeelte van de verwar­mings­kos­ten buiten de meterop-namen om, gemeenschappelijk te laten dra­gen door alle ge­bruikers en volgens een an-dere sleutel te ver­delen.

 

Dit gedeelte wordt gebruikelijk verrekend volgens dezelfde normen als de andere gemeenschap-pelijke kosten, met name vol­gens de aandelen van elk pand in de gemeenschap (normaal een proportionele indicatie van de bewoonbare oppervlakte).

 

De omvang van dit in gemeenschap te dragen gedeelte heeft het voor­werp uitgemaakt van ver-schillende studies en er bestaan uiteenlopende theorieën en meningen over. Er valt de laatste 20 jaar echter een duidelijke tendens waar te nemen om dit gedeelte eerder hoog in te schatten.

 

Door het betere inzicht in de verwarmingstechniek, de evo­lutie van de technische installaties en bouwtechniek, wordt het in­derdaad meer en meer duidelijk dat het niet opgaat een billijke verde-ling van de kosten v/e gemeenschappelijke voorziening te verwachten van welk meetsysteem dan ook. Alleen een ruim deel, verdeeld in gemeenschap, kan de fouten aan het meetsys­teem wat afzwakken.

 

Daar waar zo'n 30 jaar geleden dit gemeenschappelijk te verde­len gedeelte, na theoretische be-rekeningen, voorzichtig in basisaktes werd aangehouden op zo'n 15 tot 20%, valt een evo­lutie waar te nemen waarbij dezelfde bouw­promo­tor met eenzelfde meetsysteem, in gelijk­aardige ge-bou­wen, enkele jaren later tot 80% van de verwar­mingskos­ten om­schrijft als gemeenschappe-lijk te verdelen.

 

Het valt dan ook niet te verwonderen dat logische geesten de lijn hebben doorgetrokken en er ge-bouwen zijn waar het to­taal van de ver­war­mingskosten gemeenschappelijk verdeeld wordt.

 

Een veel gehoorde kritiek op het opdrijven van dit gemeen­schap­pelijk gedeelte (en des te meer op het 100% gemeen­schap­pelijk verdelen, wat inhoudt dat geen enkel meetsysteem meer wordt toegepast) is dat dit aanleiding zou geven tot misbrui­ken en energieverspilling.

 

De praktijk bewijst echter dat dit risico niet echt groot is en in de hand kan gehouden worden door aangepaste regelap­pa­ratuur die de af­namemogelijkheden beperkt.

 

Hoewel uiteraard elke wijziging aan het kostenverdelingssys­teem ver­schuivingen veroorzaakt van de individuele toewij­zing van kosten per kavel, blijkt dat wanneer dit ge­meen­schappelijk gedeelte wordt opge­dreven, de totale brand­stof­kosten van het gebouw eerder dalen.

 

Dit valt technisch vrij logisch te verklaren. Omdat de af­zon­derlijke gebruikers een meer redelijk gebruik van de instal­latie gaan maken krijgt men een beter rendement en een betere warmtever-deling door het ganse gebouw.

 

Elk meetsysteem, zeker wanneer het in grote mate wordt aan­ge­wend voor de toewijzing van de kosten, veroorzaakt bij de ge­bruikers inderdaad de reflex om de aangeduide eenheden te be­perken zonder daarbij oog te hebben voor het totale brand­stof­verbruik van het gebouw.

 

5 - Conclusies

 

5.1 - Het is moeilijk algemene aanbevelingen te geven die over­al geldig zouden zijn, de eigen si-tuatie van elk gebouw dient onderzocht.

 

5.2 - Een centrale verwarming zoals hier omschreven is een ge­meen­schap­pelijke voorziening en de eraan verbonden ver­bruiks­kosten dienen voor een ruim deel volgens een for­fai­taire sleutel over de gemeen­schap verdeeld te worden. (40 à 50 % zijn minima).

 

5.3 - Elk meetsysteem heeft zijn fouten. De foutmogelijkheden bij debiet- & uurmeters zijn echter dermate groot dat er dient van afge­stapt.

 

Daar waar van oudsher deze meters in gebruik zijn, worden ze soms aangehouden, wanneer het degelijke toestellen zijn en ze geen bijko­mende kosten veroorzaken.

 

Hierbij past echter de bemerking dat maar al te dikwijls, wan­neer zich dan op een bepaald  ogenblik toch duide­lijke fouten voordoen die aan­leiding geven tot klach­ten, het aan de syndi­cus wordt overge­laten een minnelijke oplos­sing na te streven op basis van vergelij­kings­cij­fers, forfaits, ge­mid­delden enz...

 

Dergelijke berekeningswijzen (als dit nog berekenen mag ge­noemd wor­den), hoe voorzichtig en gewetensvol ook uit­ge­voerd, missen elke grondslag en zijn absoluut arbi­trair. Zeker wan­neer zich in een gebouw in eenzelfde tijd­span­ne verschillende dergelijke gevallen voordoen of wan­neer het gebouw door zijn constructie weinig ge­lijkaar­dige pan­den omvat is het zelfs onmogelijk er de schijn van de be­re­ke­nin­gen aan op te hangen.

 

Men vervalt dan stilaan in een arbitraire verdeling die elke geloof­waardigheid, billijkheid en princi-piële eer­lijk­heid mist en daar­door een gevaar inhoudt voor de goede ver­stand­houding binnen de groep van de gebrui­kers van een gebouw.

 

5.4 - Beter dan energie, tijd en geld te spenderen aan pogingen tot het zogenaamde eerlijk ver-delen van de verbruiks­kos­ten (iets dat maar al te dikwijls uitmondt in het be­perken van het eigen individuele aan­deel in de totale ver­bruikskosten), is het aan te bevelen de ener­gie­kosten voor het ge­hele ge­bouw te be­perken door het aanpassen of ver­be­teren van de installatie door voorzieningen als:

 

- Verbeteren, aanpassen of vernieuwen van de stookketel (sedert de energiecrisis is het rendement van de mo­derne stookketels opmerke­lijk verbeterd);

 

- Aanbrengen van een klimatologisch elektronisch regel­pa­neel met buitensondes op de installatie (met meng­kraan met ser­vo­motor  enz.)

 

- Toepassing van thermosstatische kranen op de radiatoren om een be­tere warmteverdeling bin-nen de lokalen te ver­krij­gen

 

- Degelijk en meermaals per jaar, onderhouden en afrege­len van de stookketel en zijn appara-tuur.

 

Wanneer men als verbetering, regelpaneel en thermosstati­sche kranen toepast, worden hora-meters (en debietmeters) zeker uit den boze, aan­gezien ze geen enkele juiste aan­dui­ding meer ge­ven.

 

5.5 - Wanneer men (zei het om psychologische redenen) toch een meetsys­teem wenst, geldt ons inziens als enige ver­ant­woor­de methode de ca­loriemeters per radiator, waar­bij de keuze uit de verschillende types louter op economische grond­slagen zal ge­beuren. 

 

Momenteel zijn het nog steeds de me­tertjes op basis van verdampingsbuisjes die het meest ver-spreid zijn. Maar, aangezien de kostprijs van de elektronische me­ters thans wat gunstiger zijn geworden, zal de grotere nauw­keu­rig­heid zeker een evolutie in die richting teweeg­ bren­gen.

 

We geven dan ook als aanbeveling op deze trend in te schrijven.

 

Afgezien daarvan resulteren zij allemaal in het bepalen van een aan­tal verbruikte een-heden per kavel, hetgeen ons een totaal aan ver­bruikte eenheden laat berekenen voor het ge­hele gebouw.

 

Winand Van Coillie / Syndicus