Hallo Residentie
Envoyer par email Imprimer
content-picture
Publié le woensdag 23 februari 2011
**Résumé

 Indien de verhuurder privatieve delen in een appartementsgebouw verhuurt, is hij geen vergoeding verschuldigd aan de huurder als door de vereniging van mede-eigenaars werken worden uitgevoerd aan de gemene delen, zoals aan de gevel van het gebouw.  

 

Indien de verhuurder privatieve delen in een appartementsgebouw verhuurt, is hij geen vergoeding verschuldigd aan de huurder als door de vereniging van mede-eigenaars werken worden uitgevoerd aan de gemene delen, zoals aan de gevel van het gebouw.

 

 

 

Nr. C.99.0477.N

  ONYX, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met maatschappelijke zetel te 8400 Oostende, Salvialaan 60, ingeschreven in het handelsregister te Oostende, nummer 48.193, eiseres tot cassatie van een vonnis, op 30 juni 1999 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge, vertegenwoordigd door mr. Adolf Houtekier, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 2800 Mechelen, Battelsesteenweg 95, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,

  tegen

  1. D. J.,

  2. D. I.,

  3. B. F.,

  4. RESIDENTIE ROGIER PALACE, vereniging van mede-eigenaars, met zetel te 8400 Oostende, Rogierlaan 46, vertegenwoordigd door de syndicus, de BVBA AUTORIJSCHOOL DE KUST, met zetel te 8000 Brugge, Noordzandstraat 8,

  verweerders in cassatie.

  HET HOF,

  Gehoord het verslag van raadsheer Waûters en op de conclusie van advocaat-generaal Dubrulle;

  Gelet op het bestreden vonnis, op 30 juni 1999 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge;

  Over het eerste middel, gesteld als volgt : schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek, 23, 24, 25, 26 en 27 van het Gerechtelijk Wetboek,

  doordat het bestreden vonnis van gedeeltelijke bevestiging het hoger beroep van eiseres, in zoverre het strekt tot het ontoelaatbaar of onontvankelijk horen verklaren van de oorspronkelijke tegenvordering van derde verweerder q.q., onontvankelijk verklaart op de volgende gronden : in haar verzoekschrift strekkende tot hoger beroep vordert eiseres tevens dat de oorspronkelijke tegenvordering van derde verweerder q.q. opzichtens haar zou worden afgewezen als ontoelaatbaar, onontvankelijk en minstens als ongegrond. Hierbij dient te worden opgemerkt dat alle vorderingen, met inbegrip van de tegenvordering van derde verweerder q.q., reeds werden gesteld voor de eerste rechter voor haar tussenvonnis van 14 januari 1997, waarbij deze eisen werden ontvangen en toelaatbaar verklaard. Nu eiseres blijkens haar verzoekschrift tot hoger beroep van 29 juni 1998 enkel beroep aantekent tegen het eindvonnis van 5 mei 1998, en niet tegen dit tussenvonnis, waarin de vorderingen reeds werden ontvangen en toelaatbaar verklaard, en derhalve dit tussenvonnis gezag van gewijsde blijft behouden tussen partijen, dient het hoger beroep van eiseres wat dit onderdeel betreft, en namelijk strekkend tot het ontoelaatbaar of onontvankelijk verklaren van de tegenvordering van derde verweerder q.q., als onontvankelijk te worden beschouwd,

  terwijl, de Vrederechter van het eerste kanton Oostende, in het vonnis van 14 januari 1997 de eis van eiseres toelaatbaar en ontvankelijk verklaart en, alvorens over de gegrondheid te beslissen, eiseres toeliet tot het getuigenbewijs van het feit "dat zij niet was geïnformeerd, en dat toen de stellingen werden geplaatst, er sprake was van hoogstens acht weken plaatsing van stellingen waarna alles zou worden weggenomen"; dat in dit vonnis geen uitspraak gedaan werd over de ontvankelijkheid en toelaatbaarheid van de tegenvordering van derde verweerder q.q.; dat het bestreden vonnis, door te beslissen dat de tegenvordering van derde verweerder q.q. ontvankelijk en toelaatbaar verklaard werd bij het vonnis van de Vrederechter van het eerste kanton Oostende van 14 januari 1997, zowel het gezag van gewijsde van dit vonnis (schending van de artikelen 23, 24, 25, 26 en 27 GerW.) als de bewijskracht ervan geschonden heeft (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 BW) :

  Overwegende dat het vonnis van de eerste rechter van 14 januari 1997 melding maakt van de tussenvordering van de verweerder sub 3 tegen eiseres en in zijn beschikkend gedeelte stelt :

  "Om deze redenen,

  De Rechtbank, vooraleer ten gronde recht te doen :

  1. Verklaart de eis toelaatbaar en ontvankelijk, maar alvorens over de gegrondheid te beslissen,

  Laat (eiseres) toe de hierna bepaalde feiten door alle middelen rechtens en inzonderheid door getuigen te bewijzen, namelijk : (...)

  2. Sommeert (verweerster sub 4) om de beslissingen betreffende de uitvoering van werken en gevelrenovatie, en aanstelling van architect A. voor te leggen";

  Overwegende dat het bestreden vonnis oordeelt dat het vonnis van 14 januari 1997 de tussenvordering van de verweerder sub 3 strekkende tot betaling van huurgelden, reeds ontvankelijk en toelaatbaar heeft verklaard en dat, gelet op het feit dat eiseres tegen dit tussenvonnis van de eerste rechter geen hoger beroep heeft ingesteld, het hoger beroep van eiseres in zoverre dit ertoe strekt de bedoelde tussenvordering van de verweerder sub 3 ontoelaatbaar of onontvankelijk te verklaren, niet ontvankelijk is;

  Overwegende dat het bestreden vonnis aldus van het tussenvonnis van de eerste rechter van 14 januari 1997 een uitlegging geeft die met de bewoordingen ervan onverenigbaar is en de bewijskracht van dit vonnis miskent; dat het zijn beslissing dat het hoger beroep van eiseres in zoverre dit ertoe strekt de tussenvordering van de verweerder sub 3 niet ontvankelijk of ontoelaatbaar te verklaren, niet ontvankelijk is, niet naar recht verantwoordt;

  Dat het middel gegrond is;

  Over het tweede middel, gesteld als volgt : schending van de artikelen 1719, 1720, 1724 en 1725 van het Burgerlijk Wetboek,

  doordat het bestreden vonnis van gedeeltelijke bevestiging de vordering van eiseres om derde verweerder q.q. en vierde verweerster solidair te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van 1.175.000 BEF, ongegrond verklaart in zoverre die vordering gericht was tegen derde verweerder q.q. en slechts gedeeltelijk gegrond verklaart ten belope van 125.000 BEF in zoverre die vordering gericht was tegen vierde verweerster, en eiseres veroordeelt tot betaling aan derde verweerder q.q. van de som van 105.000 BEF, op de volgende gronden : 2.2.1. Contractuele aansprakelijkheid krachtens de handelshuurovereenkomst... Nu de gebrekkige uitvoering der contractuele verhuurdersverbintenissen, zoals deze door eiseres worden aangehaald ter staving van haar vordering tot schadevergoeding, er in bestaat dat vanaf 6 juni 1995, minstens vanaf 1 juli 1995 stellingen waren aangebracht tegen de voorgevel van het appartementsgebouw waarin de handelszaak gelegen was zodat door het gebrek aan toegankelijkheid en de stofhinder ingevolge de gevelwerken, het normaal en rustig genot van het huurgoed, meer bepaald de uitbaatbaarheid van de handelszaak, verhinderd werd terwijl deze stellingen slechts werden weggehaald op 14 december 1995, blijkt hieruit voldoende dat eiseres haar vordering ex contractu slechts gegrond kan stellen ten overstaan van derde verweerder q.q. dewelke in de gestelde periode onderverhuurster was van het betreffende huurgoed... Wat nu betreft de vordering van eiseres ex contractu ten overstaan van derde verweerder q.q. werpt deze laatste op dat hij ingevolge artikel 1724 en 1725 BW niet gehouden kan zijn tot schadevergoeding ten overstaan van eiseres. Daar waar artikel 1724 BW handelt over de schade ingevolge genotsderving ten gevolge van de herstelplicht in hoofde van de verhuurster, waarbij de huurster aanspraak kan maken op een evenredige vermindering der huurprijs zo de werken langer duren dan 40 dagen, handelt artikel 1725 BW over de schade ingevolge genotsderving tengevolge van daden door derden, waarvoor de verhuurder geen vrijwaring is verschuldigd. Welnu, de herstellingswerken dewelke aanleiding hebben gegeven tot de genotsderving en de schade dewelke door eiseres werden opgeworpen, betreffen geenszins werken aan het betreffende huurgoed en voorwerp der handelshuurovereenkomst, doch wel aan de voorgevel van het betreffende appartementsgebouw terwijl deze werken niet werden uitgevoerd in opdracht van de BVBA Desender, doch wel in opdracht van de Vereniging der mede-eigenaars Res. Rogier Palace, zijnde een derde ten overstaan van zowel eiseres als van eerste en tweede verweerders. Het feit dat eerste verweerder in zijn hoedanigheid van syndicus nog de Vereniging der medeeigenaars Res. Rogier Palace heeft vertegenwoordigd doet geen afbreuk aan het feit dat hij in zijn persoonlijke hoedanigheid nog steeds een derde is ten overstaan van eiseres, in de betreffende periode, nu de contractuele verbintenissen ingevolge de handelshuurovereenkomst nog steeds golden tussen eiseres en de BVBA Desender. Artikel 1724 BW is derhalve niet toepasselijk. Nu uit hier voormelde overwegingen blijkt dat het aanbrengen van de stellages en het uitvo

eren van de herstel-lingswerken aan de voorgevel een genotstoornis inhoudt uitgaande van de Vereniging der medeeigenaars Res. Rogier Palace dewelke ten overstaan van eiseres en derde verweerder q.q. een derde is, dient overeenkomstig artikel 1725 BW te worden besloten dat derde verweerder q.q. uit hoofde van deze genotstoornis geen vrijwaring is verschuldigd ten overstaan van eiseres. De vorderingen van eiseres, in zoverre ze gesteund waren op de verbintenissen voortspruitende uit de handelshuurovereenkomst van 19 april 1995 zijn derhalve ongegrond ... De hier voorgaande overwegingen ter onderzoek van de aansprakelijkheid op grond van de diverse door eiseres opgeworpen rechtsgronden (zijn) niet alleen noodwendig ter beoordeling van de vorderingen ten overstaan van de diverse verweerders, maar (zijn) tevens niet zonder belang ter begroting van de schadevergoeding opzichtens eiseres... Eiseres vorderde ten titel van schadevergoeding het bedrag van 1.000.000 BEF in eerste aanleg en vordert thans in hoger beroep een bedrag van 1.175.000 BEF, stellende dat de oorspronkelijke vordering met 175.000 BEF dient te worden verhoogd omwille van de ten onrechte betaalde huur. De bewering dat de huur gedurende maanden ten onrechte zou zijn betaald kan niet worden bijgetreden door deze rechtbank, vermits elke vordering ex contractu ten overstaan van eerste, tweede en derde verweerders ongegrond werd beoordeeld.

  Eiseres geeft toe dat zij de huur voor de periode november 1995 tot en met januari 1996 niet heeft betaald (...);

  Nu deze houding van eiseres niet meer noch minder is dan het eigenrechtig toepassen van de exceptio non adimpleti contractus dient te worden nagegaan indien de diverse voorwaarden hiertoe waren vervuld. Eén van de vereisten voor het inroepen van de niet-uitvoeringsexceptie is dat de opschorting slechts mag geschieden in zoverre ze door de niet-nakoming van de wederpartij gerechtvaardigd is. (zie R. Kruithof, Verbintenissen, de gevolgen van het contract, TPR 1994, nr. 265, p. 567). Met andere woorden zou eiseres slechts gerechtigd zijn de huurgelden opzichtens de verhuurster op te schorten, in zoverre een contractuele tekortkoming aan de verbintenissen als verhuurster in hoofde van BVBA Desender zou blijken, dewelke dan nog ernstig genoeg zouden dienen te zijn om de opschorting van de betaling der huurgelden in hun totaliteit te verantwoorden.

  Bovendien houdt de toepassing van de exceptio non adimpleti contractus tevens in dat de opschorting der uitvoering der huurders verbintenissen (waarvan in eerste plaats de betaling der huurgelden) een einde dient te nemen van zodra de andere partij haar verbintenissen zou hernemen, hetgeen in casu zou hebben betekend, van zodra de stellages werden weggenomen, waarna de wederzijdse contractuele verbintenissen opnieuw zouden herleven. Uit de hiervoor vermelde overwegingen (cfr. sub 2.2.1) is evenwel reeds gebleken dat de door eiseres opgeworpen stoornis geenszins aan de BVBA Desender kan worden toegeschreven, nu de herstellingswerken strekten tot herstel aan de mede-eigendom waaraan BVBA Desender als hoofdhuurster vreemd is, terwijl de werken werden uitgevoerd in opdracht van de Vereniging der mede-eigenaars Res. Rogier Palace, zijnde een derde aan de contractuele verbintenissen tussen partijen en voor wie BVBA Desender overeenkomstig artikel 1725 BW geen vrijwaring is verschuldigd. Eiseres kon zich derhalve geenszins beroepen op de niet-uitvoeringsexceptie om de niet betaling der huurgelden te verantwoorden. De tegenvordering van derde verweerder q.q. ten overstaan van eiseres tot betaling der aldus ten onrechte ingehouden huurgelden werd derhalve door de eerste rechter oordeelkundig gegrond verklaard. Het hoger beroep van eiseres is wat dit betreft dan ook ongegrond,

  terwijl, eerste onderdeel, indien het verhuurde goed gedurende de huurtijd dringende herstellingen nodig heeft, die niet tot na het eindigen van de huur kunnen worden uitgesteld, dan moet de huurder deze ingevolge artikel 1724, eerste lid, BW gedogen, welke ongemakken hem daardoor ook mochten worden veroorzaakt en al zou hij gedurende de herstellingen het genot van een gedeelte van het verhuurde goed moeten derven; dat indien die herstellingen echter langer dan veertig dagen duren, dan wordt de huurprijs ingevolge artikel 1724, tweede lid, BW verminderd naar evenredigheid van de tijd en van het gedeelte van het verhuurde goed waarvan hij het genot heeft moeten derven; dat hieraan geen afbreuk gedaan wordt door het louter feit dat het verhuurde goed slechts een deel is van een appartementsgebouw dat dringende herstellingen nodig heeft voor zover het verhuurde goed die dringende herstellingen zelf ook nodig heeft en de huurder daardoor het genot van het verhuurde goed heeft moeten derven; dat het bestreden vonnis dan ook ten onrechte beslist heeft dat artikel 1724 niet toepasselijk is omdat de herstellingswerken, dewelke aanleiding hebben gegeven tot de genotsderving en de schade van eiseres, niet het huurgoed betreffen doch wel de voorgevel van het appartementsgebouw nu het tegelijkertijd vaststelt dat het de voorgevel betreft van het appartementsgebouw waarin het huurgoed gelegen is en dat het normaal en rustig genot van het huurgoed verhinderd werd door het gebrek aan toegankelijkheid en de stofhinder ingevolge de gevelwerken (schending van de artikelen 1719, 1720 en 1724 BW),

  tweede onderdeel, indien het verhuurde goed gedurende de huurtijd dringende herstellingen nodig heeft, die niet tot na het eindigen van de huur kunnen worden uitgesteld, dan moet de huurder deze ingevolge artikel 1724, eerste lid, BW gedogen, welke ongemakken hem daardoor ook mochten worden veroorzaakt en al zou hij gedurende de herstellingen het genot van een gedeelte van het verhuurde goed moeten derven; dat indien die herstellingen echter langer dan veertig dagen duren, dan wordt de huurprijs ingevolge artikel 1724, tweede lid, BW verminderd naar evenredigheid van de tijd en van het gedeelte van het verhuurde goed waarvan hij het genot heeft moeten derven; dat hieraan geen afbreuk gedaan wordt door het louter feit dat die werken worden uitgevoerd in opdracht van een derde, zoals de vereniging van mede-eigenaars vermits artikel 1724 BW niet vereist dat de werken uitgevoerd worden in opdracht van de verhuurder zelf; dat het bestreden vonnis dan ook ten onrechte beslist heeft dat artikel 1724 niet toepasselijk is omdat de werken niet werden uitgevoerd in opdracht van de BVBA Desender Interieur Design doch wel in opdracht van de Vereniging der mede-eigenaars (schending van de artikelen 1719, 1720 en 1724 BW) en op grond van die omstandigheden ten onrechte beslist heeft dat derde verweerder q.q. uit hoofde van deze genotstoornis geen vrijwaring verschuldigd is overeenkomstig artikel 1725 BW (schending van artikel 1725 BW) :

  Wat het eerste onderdeel betreft :

  Overwegende dat het onderdeel, in zoverre het ervan uitgaat dat het verhuurde goed de herstellingen aan de gevel nodig heeft terwijl het bestreden vonnis dit niet vaststelt, het Hof verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het niet bevoegd is;

  Dat het onderdeel in zoverre niet ontvankelijk is;

  Overwegende verder dat, krachtens artikel 1724, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, de huurder de dringende herstellingen moet gedogen die het verhuurde goed nodig heeft en die niet tot het einde van de huur kunnen worden uitgesteld, welke ongemakken hem daardoor ook mochten worden veroorzaakt, en al zou hij gedurende de herstellingen het genot van een gedeelte van het goed moeten derven;

  Dat het tweede lid van dit artikel bepaalt dat als de herstellingen langer dan veertig dagen duren, de huurprijs wordt verminderd naar evenredigheid van de tijd en van het gedeelte van het verhuurde goed waarvan de huurder het genot heeft moeten derven;

  Dat indien de verhuurder privatieve delen in een appartementsgebouw verhuurt, hij op grond van de bepalingen geen vergoeding verschuldigd is aan de huurder als door de vereniging van mede-eigenaars werken worden uitgevoerd aan de gemene delen, zoals aan de gevel van het gebouw;

  Dat het onderdeel in zoverre niet kan worden aange- nomen;

  Wat het tweede onderdeel betreft :

  Overwegende dat het onderdeel niet uitlegt hoe en waardoor het bestreden vonnis artikel 1725 van het Burgerlijk Wetboek schendt;

  Dat het onderdeel in zoverre onnauwkeurig, mitsdien niet ontvankelijk is;

  Overwegende verder dat het onderdeel ervan uitgaat dat de werken werden uitgevoerd aan het verhuurde goed;

  Overwegende dat het bestreden vonnis vaststelt dat de werken werden uitgevoerd aan de gemene delen van het gebouw waarin het verhuurde goed gelegen is;

  Dat het onderdeel in zoverre feitelijke grondslag mist;

  Over het derde middel, gesteld als volgt : schending van de artikelen 1382, 1383, 1984, 1989, 1991 en 1992 van het Burgerlijk Wetboek en van het algemeen beschikkingsbeginsel van partijen,

  doordat het bestreden vonnis van bevestiging de vordering van eiseres om eerste, tweede en derde verweerders solidair te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van 1.175.000 BEF ongegrond verklaart en eiseres veroordeelt tot betaling aan derde verweerder q.q. de som van 105.000 BEF, op de volgende gronden : Eiseres steunt haar vordering tot schadevergoeding tevens op een fout in hoofde van eerste, tweede en derde verweerders met name de culpa in contrahendo, bewerende dat bij het afsluiten van de handelshuurovereenkomst van 19 april 1995, haar op een foutieve wijze werd verzwegen dat kort na de opening van haar nieuwe handelszaak een aanvang zou worden genomen met de voorgenomen gevelreiniging, met alle schadelijke gevolgen voor de verdere ontplooiing der commerciële activiteiten van eiseres. Het Hof van Cassatie bevestigde reeds herhaaldelijk dat de rechtsvordering tot herstel van schade die veroorzaakt wordt, door een schuldig optreden bij het sluiten van een overeenkomst, niet op een contractuele verhouding steunt maar een quasi-delictuele grondslag heeft. Dit sluit niet uit dat de onderhandelingen niettemin geschieden tussen die partijen dewelke later bij het contract werden verbonden, terzake eiseres en derde verweerder q.q. terwijl een eventuele fout in hoofde van eerste en tweede verweerders tijdens deze precontractuele fase niet hun persoonlijke aansprakelijkheid impliceert, doch wel de aansprakelijkheid van derde verweerder q.q. als onderhandelende en latere contracterende partij. Wanneer eerste en tweede verweerders hierbij zijn tussengekomen, en mogelijks zelfs een fout zouden hebben begaan, dan handelden zij ten dezen als orgaan van de BVBA Desender, minstens als diens gemandateerden om de handelshuurovereenkomst tussen de BVBA Desender en eiseres tot stand te doen komen. Dit blijkt des te meer nu eerste en tweede verweerders nooit in persoonlijke naam met eiseres hebben onderhandeld nopens de totstandkoming van de handelshuurovereenkomst, en slechts contractuele verbintenissen uit hoofde van de handelshuurovereenkomst zijn ontstaan tussen eerste en tweede verweerders ten persoonlijke titel enerzijds en eiseres anderzijds dan na de minnelijke huurontbinding per 1 februari 1996, met de intussen gefailleerde BVBA Desender, zodat de onderhuurster rechtstreekse huurster werd van de hoofdverhuurders, eigenaars. Dit betekent meteen dat een vordering ten overstaan van 

eerste en tweede verweerders ten persoonlijken titel ongegrond is, nu alleen de aansprakelijkheid van de BVBA Desender zou kunnen weerhouden worden, zo er enige fout bewezen voorkomt in de precontractuele fase voor 19 april 1995, ook al zou de fout zijn begaan door eerste en/of tweede verweerder. Dit onderscheid is niet zonder belang, nu derde verweerder q.q. opwerpt dat de BVBA Desender derde was ten overstaan van de Vereniging der mede-eigenaars Res. Rogier Palace en als dusdanig niet op de hoogte was noch kon zijn van het voornemen om de geplande gevelwerken te laten aanvatten, daar waar zulks niet geldt voor eerste en tweede verweerders dewelke wel degelijk van dit feit op de hoogte waren, minstens in hoofde van Desender Johan dewelke als zaakvoerder optrad voor de BVBA Desender en tevens syndicus was van de Vereniging der mede-eigenaars Res. Rogier Palace. De eerste rechter oordeelde terecht dat aan de hand van het getuigenverhoor bewezen voorkwam dat eiseres niet op de hoogte was van de geplande gevelwerken nu de getuige D.V. L. formeel stelt dat hij de persoon was die in opdracht van de BVBA Desender de handelshuurovereenkomst heeft afgesloten zonder dat hij noch mevr. Pollet Lutgardis op geen enkele wijze waren ingelicht nopens de geplande gevelrenovatie. De zeer vage verklaringen van de getuige J. C. zijn niet van aard de formele verklaringen van de eerste getuige te ontkrachten. Evenwel bestaat de fout, dewelke aldus bewezen voorkomt, erin dat ten overstaan van eiseres werd verzwegen dat de gevelrenovatiewerken zouden worden aangevat, kort nadat de handelshuurovereenkomst met eiseres een aanvang zou nemen en dat eiseres aldus haar nieuwe handelszaak zou openen. De duur van deze renovatiewerken was geschat op 10 tot 12 dagen. Terecht stelde de eerste rechter dat noch de BVBA Desender noch eerste en tweede verweerders op dit ogenblik konden weten dat de gevelrenovatiewerken de noodzaak zouden aan het licht brengen van heel wat belangrijker herstellingswerken, dewelke dermate diepgaand en kostelijk waren dat alle partijen het er over eens zijn dat deze eerst aan de beoordeling der algemene vergadering der Vereniging der mede-eigenaars Res. Rogier Palace dienden te worden voorgelegd. Ter beoordeling van de schade dient aldus te worden nagegaan welke invloed de "verzwegen" gevelrenovatiewerken zouden hebben gehad op de onderhandelingen tussen eiseres en derde verweerder q.q. tot afsluiting van de handelshuurovereenkomst van 19 april 1995 en het feit dat eiseres de opening van haar nieuwe handelszaak had gepland op 3 juni 1995. De eerste rechter oordeelde terecht dat het feit dat gevelrenovatiewerken, waarvan de duur op 10 tot 12 dagen werd geschat, niet van aard zouden zijn dat eiseres zou hebben afgezien van het sluiten der handelshuurovereenkomst. Ten overstaan van de beperkte ongemakken dewelke de stellages en de werkhinder in deze wel omlijnde periode met zich mede zouden hebben gebracht, staat het voordeel dat de handelszaak van eiseres zou gelegen zijn in een appartementsgebouw met een gerenoveerde gevel. Anderzijds beweert eiseres dat zij nog beschikte over de mogelijkheid haar handelszaak verder uit te baten op haar voormalig adres, Jozef II-straat te Oostende, waar zij nog beschikte over een huurperiode tot eind 1995 hetgeen haar zou in staat hebben gesteld de opening van haar nieuwe handelszaak en de daaropvolgende periode om de verkoop opnieuw "op dreef" te brengen uit te stellen tot na de geplande gevelrenovatie, met betere verkoopresultaten ten gevolge. Evenwel brengt eiseres, nopens deze beweringen geen enkel stuk voor, zodat de rechtbank in graad van beroep het oordeel van de eerste rechter dient te bevestigen dat eiseres wat dit betreft geen schade bewijst,

  terwijl, eerste onderdeel, eiseres stelde dat zij nog beschikte over de mogelijkheid haar handelszaak verder uit te baten op haar voormalig adres, Jozef II-straat te Oostende, waar zij nog beschikte over een huurperiode tot einde 1995 hetgeen haar zou in staat hebben gesteld de opening van haar nieuwe handelszaak en de daaropvolgende periode om de verkoop opnieuw "op dreef" te brengen, uit te stellen tot na de geplande gevelrenovatie; dat er tussen partijen geen betwisting bestond over het feit dat eiseres inderdaad nog beschikte over de mogelijkheid haar handelszaak verder uit te baten op haar voormalig adres, Jozef II-straat te Oostende en dat zij daar nog beschikte over een huurperiode tot einde 1995 hetgeen haar zou in staat gesteld hebben de opening van haar nieuwe handelszaak uit te stellen tot na de geplande renovatiewerken; dat het bestreden vonnis, door te beslissen dat eiseres nopens deze beweringen geen enkel stuk voorbrengt, een geschil opgeworpen heeft waarover tussen partijen geen betwisting bestond (schending van het algemeen beschikkingsbeginsel van partijen),

  tweede onderdeel, de appèlrechters vaststelden dat de fout van eerste en tweede verweerders erin bestaat dat ten overstaan van eiseres werd verzwegen dat de gevelrenovatiewerken zouden worden aangevat kort nadat de handelshuurovereenkomst met eiseres een aanvang zou nemen en eiseres haar nieuwe handelszaak zou openen, dat deze fout een quasi-delictuele grondslag heeft en dat deze fout aldus bewezen voorkomt; dat het bestreden vonnis evenwel ten onrechte beslist heeft dat deze fout niet de persoonlijke aansprakelijkheid van eerste en tweede verweerders meebrengt omdat zij handelden als orgaan van de BVBA Desender, Interieur Design, minstens als diens gemandateerden, en dat dit meteen betekent dat een vordering ten overstaan van eerste en tweede verweerders ten persoonlijke titel ongegrond is ook al werd de fout door hen begaan; dat het feit dat eerste en tweede verweerders handelden als organen van de BVBA Desender Interieur Design, immers niet wegneemt dat zij persoonlijk aansprakelijk blijven voor hun eigen fouten ook al pleegden zij die fout als orgaan (schending van de artikelen 1382 en 1383 BW); dat het feit dat eerste en tweede verweerders minstens als lasthebbers van BVBA Desender Interieur Design handelden, evenmin hun persoonlijke aansprakelijkheid voor hun eigen fout wegneemt (schending van de artikelen 1984, 1989,1991 en 1992, BW) :

  Wat het eerste onderdeel betreft :

  Overwegende dat er geen algemeen rechtsbeginsel bestaat "van partijen" noch een algemeen rechtsbeginsel "algemeen beschikkingsbeginsel van partijen";

  Overwegende dat de verweerders sub 1 en 2 in hun appèlconclusie van 12 november 1998 aanvoerden : "(Eiseres) heeft de procedure ingeleid louter uit frustratie, gezien de uitbating niet aan haar wensen voldeed. Zij heeft reeds de vlucht genomen uit haar vorige uitbating in de Jozef II-straat te Oostende, omdat zij een onvoldoende verkoopcijfer haalde, en nu nam zij de vlucht uit het winkelpand van de Residentie Rogier Palace, gezien zij op 11 juni 1997 een groot plakkaat heeft gehangen aan het venster dat haar handelszaak over te nemen is (...) en bij schrijven van 25 oktober 1997 heeft zij de huur opgezegd (...)";

  Overwegende dat uit het voorgaande blijkt dat de verweerders sub 1 en 2, anders dan het onderdeel aanvoert, het bedoelde verweer hebben betwist;

  Dat het onderdeel in zoverre feitelijke grondslag mist;

  Wat het tweede onderdeel betreft :

  Overwegende dat als een orgaan van een vennootschap of een lasthebber in de uitvoering van zijn mandaat bij besprekingen die tot een overeenkomst hebben geleid een fout begaat die geen misdrijf uitmaakt, die fout niet de bestuurder of de mandataris tot vergoeding verplicht, maar wel de vennootschap of de lastgever;

  Overwegende dat het bestreden vonnis vaststelt dat de verweerders sub 1 en 2 zijn opgetreden als orgaan van, minstens als lasthebber van de BVBA Desender Interieur Design bij het tot stand komen van de huurovereenkomst met eiseres en dat zij daarbij hebben verzwegen dat er herstellingen zouden worden uitgevoerd alhoewel dit hen bekend was;

  Dat het bestreden vonnis aldus naar recht oordeelt dat de fout van de verweerders sub 1 en 2 bij de besprekingen die hebben geleid tot het ontstaan van het contract, voor rekening van die BVBA werd begaan en dat zij niet in eigen naam voor die fout kunnen worden aangesproken;

  Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen;

  Over het vierde middel, gesteld als volgt : schending van het artikel 544, 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek,

  doordat het bestreden vonnis van bevestiging de vordering van eiseres om eerste en tweede verweerders solidair te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van 1.175.000 BEF ongegrond verklaart en eiseres veroordeelt tot betaling aan derde verweerder q.q. van de som van 105.000 BEF op de volgende gronden : Eiseres steunde tenslotte haar vordering tot schadevergoeding wegens de genotsderving tengevolge van de werkzaamheden, die uiteindelijk tot 24 december 1995 hebben geduurd, op grond van artikel 544 BW en de eerste rechter oordeelde de vordering op deze rechtsgrond gegrond ten overstaan van vierde verweerster. Daar waar eiseres in eerste aanleg beweerde haar vordering op deze rechtsgrond eveneens te kunnen stellen ten overstaan van eerste en tweede verweerders, nu zij de eigenaars zijn van het betreffende huurgoed, dient de rechtbank in hoger beroep vast te stellen dat de eerste rechter terecht heeft geoordeeld dat niet eerste en tweede verweerders aansprakelijk kunnen worden gesteld op grond van artikel 544 BW nu de herstellingswerken het gevolg waren van ernstige gebreken in de gevel, behorende tot de mede-eigendom en geenszins tot het privatief van eerste noch tweede verweerders, terwijl deze werken tevens werden uitgevoerd in opdracht van de Vereniging der mede-eigenaars Res. Rogier Palace. Eiseres heeft wat dit betreft geen grieven aangevoerd in hoger beroep. Het feit dat de werken een overlast hebben betekend voor eiseres wordt terdege bewezen door de 16 voorgelegde foto's van de handelszaak van eiseres, terwijl niet wordt betwist dat deze toestand met stellages voor het uitstalraam hebben geduurd van 6 juni 1995, minstens 1 juli 1995 tot 24 december 1995. Het oordeel van de eerste rechter kan dan ook worden bevestigd, waar zij de aansprakelijkheid voor deze schade uitsluitend te laste heeft gelegd van vierde verweerster, met uitsluiting van de aansprakelijkheid van eerste, tweede en derde verweerders,

  terwijl, eerste onderdeel, de eigenaar van een onroerend goed, die zonder een foutieve handeling, het evenwicht verbreekt tussen de naburige eigendommen en aan de gebruiker van een van deze eigendommen, zoals de huurder van dit goed, een stoornis oplegt die de grens van de gewone ongemakken van nabuurschap overschrijdt, inzonderheid door het uitvoeren van werken aan zijn onroerend goed, moet aan deze gebruiker een vergoeding betalen; dat wanneer verschillende personen mede-eigenaars zijn van een onroerend goed, dan is ieder van hen jegens deze gebruiker gehouden tot volledige vergoeding voor de stoornis die de grens van de gewone ongemakken van nabuurschap overschrijdt ingevolge werken uitgevoerd aan het onroerend goed waarvan zij medeeigenaars zijn; dat het bestreden vonnis vaststelt dat de werken uitgevoerd aan de gevel van het appartementsgebouw inderdaad, een overlast hebben betekend voor eiseres; dat het bestreden vonnis dan ook ten onrechte beslist heeft dat eerste en tweede verweerders niet kunnen aansprakelijk gesteld worden op grond van artikel 544 BW omdat de herstellingswerken het gevolg waren van ernstige gebreken in de gevel behorende tot de mede- eigendom en niet tot het privatief van eerste en tweede verweerders; dat eerste en tweede verweerders immers als mede-eigenaars van de gevel jegens eiseres gehouden waren tot volledige vergoeding voor de stoornis ingevolge werken uitgevoerd aan die gevel (schending van artikel 544 BW),

  tweede onderdeel, eiseres in haar conclusies voor de eerste rechter uitdrukkelijk staande hield dat de plaatsing van de stellingen tegen de gevel van het appartementsgebouw overdreven burenhinder veroorzaakte, dat eerste en tweede verweerders door die werken overdreven burenhinder veroorzaakten en op die grond aansprakelijk zijn als eigenaars (zie de tweede besluiten van eiseres, neergelegd voor de eerste rechter op 30 oktober 1996, pag. 3 en 4, randnr. II, 2, 3 en 4 en de derde besluiten van eiseres, neergelegd voor de eerste rechter op 6 januari 1997, pag. 4, randnr. 4); dat eiseres deze conclusies als volledig en uitdrukkelijk herhaald beschouwde in haar appèlconclusie (zie de appèlconclusie van eiseres, neergelegd op 16 november 1998, pag. 2 en 3, randnr. II, 1, 2, 3 en 4); dat eiseres aldus in graad van beroep aanvoerde dat eerste en tweede verweerders wel degelijk aansprakelijk waren op grond van abnormale burenhinder en het bestreden vonnis de bewijskracht van deze conclusies geschonden heeft door te beslissen dat eiseres wat dit betreft geen grieven aanvoerde in beroep (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322, BW) :

  Wat het eerste onderdeel betreft :

  Overwegende dat het onderdeel voorhoudt dat de eerste en tweede verweerders als mede-eigenaars van de gevel jegens eiseres gehouden zijn tot volledige vergoeding voor de stoornis ingevolge werken uitgevoerd aan die gevel;

  Overwegende dat uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, niet blijkt dat eiseres dit verweer voor de feitenrechter heeft gevoerd;

  Dat het onderdeel dat de openbare orde niet raakt noch van dwingend recht is niet voor de eerste maal voor het Hof kan worden aangevoerd en dus niet ontvankelijk is;

  Wat het tweede onderdeel betreft :

  Overwegende dat het bestreden vonnis oordeelt : "Daar waar (eiseres) in eerste aanleg beweerde haar vordering op (...) (de) rechtsgrond (van artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek) eveneens te kunnen stellen ten overstaan van de (verweerders sub 1 en 2), nu zij de eigenaars zijn van het betreffende huurgoed, dient de rechtbank in hoger beroep vast te stellen dat de eerste rechter terecht heeft geoordeeld dat niet eerste en tweede verweerders aansprakelijk kunnen worden gesteld op grond van artikel 544 BW, nu de herstellingswerken het gevolg waren van ernstige gebreken in de gevel, behorende tot de (mede-eigendom) en geenszins het privatief van (verweerders sub 1 noch verweerder sub 2), terwijl deze werken tevens werden uitgevoerd in opdracht van (verweerster sub 4)";

  Dat het bestreden vonnis aldus oordeelt alsof het de beweerde miskenning van bewijskracht van de conclusies van eiseres niet had begaan;

  Dat het onderdeel, al was het gegrond, niet tot cassatie kan leiden, mitsdien niet ontvankelijk is;

  Over het vijfde middel, gesteld als volgt : schending van de artikelen 6, lid 1, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, gesloten te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955, 1315, 1316, 1319, 1320, 1322, 1341, 1348, 1349 en 1353, van het Burgerlijk Wetboek (artikel 1341 gewijzigd bij de wetten van 20 maart 1948 en 10 december 1990), 747, §2, 870, 871, 876 en 1042, van het Gerechtelijk Wetboek (artikel 747, §2, gewijzigd bij de wetten van 3 augustus 1992 en 23 maart 1995) en van het algemeen beschikkingsbeginsel van de eerbied voor de rechten van de verdediging,

  doordat het bestreden vonnis van gedeeltelijke bevestiging de vordering van eiseres om verweerders solidair te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van 1.175.000 BEF slechts gedeeltelijk gegrond verklaart tegen vierde verweerster ten belope van 125.000 BEF op de volgende gronden: Daar waar reeds werd geoordeeld dat derde verweerder q.q. een fout had begaan ten overstaan van eiseres, op grond van de culpa in contrahendo, gelet op het verzwijgen van de voorgenomen gevelrenovatiewerken op het ogenblik dat de handelshuurovereenkomst zou worden aangegaan, terwijl eiseres geen schade bewees wat dit specifieke feit betreft, leidt de aansprakelijkheid van vierde verweerster op grond van artikel 544 BW tot de vergoeding van een totaal verschillende schade, en meer bepaald de genotsderving dewelke eiseres dient te ondervinden door de hinder dewelke deze werken en stellages hebben veroorzaakt. De stoornis bestond er in concreto in dat de toegang tot de handelszaak werd bemoeilijkt en het uitzicht op het uitstalraam, hetgeen toch niet onbelangrijk is voor een modezaak, werd verhinderd. Eiseres vorderde ten titel van schadevergoeding het bedrag van 1.000.000 BEF in eerste aanleg en vordert thans in hoger beroep een bedrag van 1.175.000 BEF, stellende dat de oorspronkelijke vordering met 175.000 BEF dient te worden verhoogd omwille van de ten onrechte betaalde huur. De bewering dat de huur gedurende maanden ten onrechte zou zijn betaald kan niet worden bijgetreden door deze rechtbank, vermits elke vordering ex contractu ten overstaan van eerste, tweede en derde verweerder ongegrond werd beoordeeld. Het bedrag van 1.000.000 BEF door eiseres gevorderd komt deze rechtbank arbitrair en willekeurig voor, nu eiseres in geen enkel opzicht de omvang van deze som toelicht noch verantwoordt. Eiseres beweert dat zij naast de genotshinder tevens commerciële schade heeft geleden, dermate dat haar nieuwe handelszaak nooit in een gezonde toestand heeft kunnen opstarten hetgeen naderhand zelfs zou hebben geleid tot de noodgedwongen sluiting van haar handelszaak. Reeds in eerste aanleg werd door verweerders herhaaldelijk gesteld dat eiseres geen enkel bewijskrachtig stuk voorlegt waaruit de daling van haar omzet of de verhoging van haar werkingskosten zou blijken, dewelke in causaal verband zouden staan met de door haar ondergane stoornis tengevolge van de langdurige aanwezigheid der stellages en de werkhinder tijdens de herstellingen. Het schrijven van de boekhouder van eiseres, Fiduciaire Claeys & C., kan ten dezen niet worden aanvaard als bewijskrachtig stuk. Niet alleen handelt deze boekhouder in opdracht van eiseres, doch tevens blijkt uit betreffend schrijven alleen dat voor wat betreft 1995 de winstmarge met 36 pct. is gedaald, zonder dat enige oorzaak dienaangaande wordt aangegeven. Tenslotte mag niet uit het oog worden verloren dat eiseres juist in 1995 het voormalige handelspand in de Jozef II-straat heeft opgedoekt en verhuisd is naar het nieuwe handelspand in de Rogierlaan, hetwelke volledig diende te worden ingericht, hetgeen abnormale kosten en een tijdelijke negatieve invloed op de winstcijfers met zich meebrengt, zonder dat zulks noodzakelijk dient te worden toegeschreven aan de hinder dewelke onmiskenbaar werd veroorzaakt door de betreffende herstellingwerken. Nopens de jaren 1996 en 1997 worden helemaal geen cijfers medegedeeld. Ondanks het feit dat verweerders zowel in eerste aanleg als in hoger beroep er herhaaldelijk op hebben aangedrongen dat eiseres dienaangaande haar schade meer precies zou begroten, minstens stukken voorbrengen waaruit een vermindering der verkoop in de periode 6 juni 1995 tot 14 december 1995 zou blijken, is eiseres hiertoe steeds in gebreke gebleven. Het ultieme aanbod van eiseres waar zij thans 

aanbiedt haar volledige boekhouding ter beschikking van de rechtbank te stellen, aanbod hetwelke werd geformuleerd bij laatste besluiten neergelegd van 11 januari 1999 terwijl geen der partijen inzake nog de mogelijkheid had hierop te antwoorden, nu de conclusietermijnen ingevolge de presidentiële beschikking overeenkomstig artikel 747, §2, GW reeds sinds 8 oktober 1998 waren vastgelegd, kan dan ook niet worden aanvaard. Het behoorde eiseres lopende de debatten haar beweerde commerciële schade op tegensprekelijke wijze in de debatten te brengen aan de hand van verifieerbare stukken. Nu zij hiertoe in gebreke is gebleven dient te worden vastgesteld dat eiseres niet heeft voldaan aan haar bewijslast betreffende de commerciële schade. Anderzijds blijkt uit de 16 voorgelegde foto's onmiskenbaar dat de werken, dewelke tot 14 december 1995 hebben aangesleept, een genotshinder hebben veroorzaakt. Het oordeel van de eerste rechter dat de schadevergoeding slechts dient te worden begroot voor de periode 1 juli 1995 tot 6 september 1995 kan evenwel niet worden bijgetreden, vermits zulks impliceert dat vierde verweerster slechts zou aansprakelijk zijn voor de stoornis in de periode dat zij op foutieve wijze de stellages heeft laten staan, hetzij een aansprakelijkheid ingevolge fout (artikel 1382-1383 BW). Zoals hiervoor reeds is gebleken is vierde verweerster gehouden tot vergoeding der schade overeenkomstig artikel 544 BW wegens de verstoring van het evenwicht of de overlast, dewelke in de periode van september tot december evenzeer aanwezig was als in de periode juni tot september. De rechtbank is in hoger beroep van oordeel dat de schade wegens de hindernis ingevolge de langdurige aanwezigheid van deze stellages, met alle ongemakken voor eiseres hieraan verbonden bij de uitbating van haar handelszaak met een huurwaarde van 35.000 BEF per maand, over een periode van 7 maanden (juni-december) ex aequo et bono dient te worden begroot op een bedrag van 125.000 BEF,

  terwijl, eerste onderdeel, de Voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge bij beschikking van 8 oktober 1998 overeenkomstig artikel 747, §2, GerW. bepaalde dat eiseres kon repliceren tot en met 11 januari 1999 en dat derde verweerder q.q. zijn repliek uiterlijk op 8 februari 1999 diende neer te leggen; dat het bestreden vonnis het aanbod van eiseres om haar volledige boekhouding ter beschikking van de rechtbank te stellen, aanbod geformuleerd bij laatste besluiten neergelegd op 11 januari 1999, dan ook ten onrechte niet aanvaard heeft omdat geen der partijen inzake nog de mogelijkheid had hierop te antwoorden ingevolge de beschikking overeenkomstig artikel 747, §2, GerW. van 8 oktober 1998; dat derde verweerder q.q. immers krachtens de beschikking van 8 oktober 1998 nog de mogelijkheid had hierop te repliceren tot 8 februari 1999 en het bestreden vonnis derhalve ten onrechte op die gronden het bewijsaanbod van eiseres heeft afgewezen (schending van artikel 747, §2, en 1042, GerW.); dat het bestreden vonnis aldus tevens de bewijskracht geschonden heeft van de beschikking van de Voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge van 8 oktober 1998 (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 BW),

  tweede onderdeel, wanneer de voorzitter of de door hem aangewezen rechter de conclusietermijnen bepaalt overeenkomstig artikel 747, §2, GerW. dan hebben de partijen het recht om hun conclusies binnen de aldus bepaalde termijnen over te leggen en dan dient de rechter de binnen de aldus bepaalde termijnen overgelegde conclusies te aanvaarden ook al zouden partijen niet meer de mogelijkheid hebben om op de conclusies van andere partijen te antwoorden ingevolge de beschikking waarbij de conclusietermijnen bepaald werden; dat eiseres had aangeboden haar volledige boekhouding ter beschikking van de rechtbank te stellen bij besluiten neergelegd op 11 januari 1999, dit is binnen de termijn bepaald bij de beschikking van de Voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge van 8 oktober 1998 overeenkomstig artikel 747, §2, GerW.; dat het bestreden vonnis dan ook ten onrechte beslist heeft dat het bij deze conclusie gedane bewijsaanbod niet kan aanvaard worden louter omdat geen der partijen nog de mogelijkheid zou gehad hebben hierop te antwoorden (schending van artikel 747, §2, en 1042 GerW.); dat het bestreden vonnis, door op die gronden de tijdig neergelegde conclusie van eiseres betreffende het aldus gedane bewijsaanbod niet te aanvaarden, tevens de rechten van de verdediging van eiseres geschonden heeft (schending van artikel 6, lid 1, EVRM en van het algemeen rechtsbeginsel van de eerbied voor de rechten van de verdediging),

  derde onderdeel, de eerste en de tweede verweerders in hun appèlconclusie stelden dat eiseres geen enkel bewijsstuk heeft voorgelegd van enig verlies in haar zakencijfer en geen enkel boekhoudkundig stuk voorlegt (zie de appèlconclusie van eerste en tweede verweerders, gedateerd op 10 november 1998, pag. 6); dat derde verweerder q.q. in zijn tweede appèlconclusie stelde dat eiseres blijft weigeren de bewijskrachtige stukken voor te leggen van haar boekhouding zodat aan haar argumentatie geen enkele waarde kan gehecht worden (zie de tweede appèlconclusie van derde verweerder q.q., gedateerd op 10 december 1998, pag. 2); dat vierde verweerster in haar appèlconclusie stelde dat eiseres het bewijs van haar schade niet levert (zie de appèlconclusie van vierde verweerster, gedateerd op 16 november 1998, pag. 4); dat het bestreden vonnis vaststelt dat eiseres bij haar laatste besluiten neergelegd op 10 januari 1999, aanbiedt haar volledige boekhouding ter beschikking van de rechtbank te stellen; dat het bestreden vonnis, door te beslissen dat dit aanbod niet kan aanvaard worden omdat geen der partijen inzake nog de mogelijkheid heeft hierop te antwoorden dan wanneer die partijen in hun vorige conclusies aan eiseres juist verweten dat zij geen boekhoudkundige stukken overlegde en eiseres tengevolge daarvan aanbood haar volledige boekhouding ter beschikking te stellen, de rechten van de verdediging van eiseres geschonden heeft (schending van artikel 6, lid 1, EVRM en van het algemeen rechtsbeginsel van de eerbied voor de rechten van de verdediging) en het recht van eiseres om de omvang van haar schade te bewijzen door middel van feitelijke vermoedens, met name de volledige boekhouding, geschonden heeft (schending van de artikelen 1315, 1316, 1341, 1348,1349 en 1353, BW, 870, 871, 876 en 1042, GerW.) :

  Wat het eerste onderdeel betreft :

  Overwegende dat het onderdeel enkel gericht is tegen de beslissing over het bewijs van de omvang van de schending van het evenwicht tussen de erven, die door de verweerster sub 4 moet worden vergoed;

  Overwegende dat het bestreden vonnis zijn beslissing laat steunen op het feit dat ook de verweerster sub 4 niet meer kon concluderen over het aanbod van bewijs van eiseres;

  Overwegende dat het feit dat de verweerder sub 3 nog wel kon concluderen over dit aanbod van bewijs, de rechtmatigheid van de beslissing niet aantast;

  Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen;

  Wat het tweede onderdeel betreft :

  Overwegende dat artikel 747, §2, van het Gerechtelijk Wetboek enkel voorschrijft dat de voorzitter of de door hem daartoe aangewezen rechter de termijnen om conclusie te nemen bepaalt en dat de conclusie die na het verstrijken van de bepaalde termijn werden overgelegd, ambtshalve uit het debat worden geweerd;

  Dat dit artikel niets bepaalt omtrent de inhoud van de conclusies en niet uitsluit dat de rechter bij de beoordeling van het bewijsaanbod dat is gedaan in een binnen de bepaalde termijn overgelegde conclusie, rekening kan houden met het feit dat de andere partijen zich over het gedane bewijsaanbod niet meer kunnen uitspreken in een conclusie;

  Overwegende dat het bestreden vonnis het door eiseres gedane bewijsaanbod verwerpt als ontijdig om de reden dat de andere partijen daarop niet meer kunnen antwoorden;

  Dat het bestreden vonnis aldus de artikelen 747, §2, en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek en het recht van verdediging van eiseres niet miskent;

  Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen;

  Wat het derde onderdeel betreft :

  Overwegende dat de in het antwoord op het tweede onderdeel gestelde regel onverminderd geldt wanneer het bewijsaanbod wordt gedaan om tegemoet te komen aan het verweer van de andere partijen dat geen stukken ter staving van de vordering zijn overgelegd;

  Overwegende dat het bestreden vonnis door het bewijsaanbod van eiseres te verwerpen omdat de andere partijen op dit bewijsaanbod niet meer konden antwoorden, het recht van verdediging van eiseres niet miskent en haar niet onrechtmatig het recht ontneemt haar schade te bewijzen met vermoedens;

  Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen;

  OM DIE REDENEN,

  Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre dit uitspraak doet over de tussenvordering van de verweerder sub 3 en uitspraak doet over de kosten van eiseres en de verweerder sub 3;

  Verwerpt de voorziening voor het overige;

  Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis;

  Veroordeelt eiseres in een vier vijfde van de kosten;

  Houdt de overige kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over;

  Verwijst de aldus beperkte zaak naar de Rechtbank van Eerste Aanleg te Veurne, zitting houdende in hoger beroep.

  Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Verougstraete, de raadsheren Waûters, Dirix, Stassijns, Fettweis, en uitgesproken in openbare terechtzitting van zestien februari tweeduizend en een, door voorzitter Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dubrulle, met bijstand van griffier Van Geem.