Hallo Residentie
Envoyer par email Imprimer
content-picture
Publié le vrijdag 04 maart 2011
**Résumé

Arrest van de Hof van Cassatie (04/04/2002)

Arrest van de Hof van Cassatie (04/04/2002)

De in artikel 577-9, § 2, tweede lid van het B.W. gestelde termijn van drie maanden geldt voor de door de mede-eigenaar op grond van het eerste lid van die paragraaf ingestelde vorderingen die opkomen tegen onregelmatige, bedrieglijke of onrechtmatige beslissingen van de algemene vergadering en niet voor de vorderingen ingesteld door de mede-eigenaar op grond van § 6 van die wetsbepaling om de verdeling van de aandelen in gemeenschappelijke gedeelten of de wijze van verdeling van de lasten te wijzigen.

 

Nr. C.00.0171.N

  1. D G

  2. M G.,

  3. OPTISCH CENTRUM, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met zetel te 1930 Zaventem, Vilvoordelaan 35, ingeschreven in het handelsregister te Brussel, nummer 517.464,

  4. MUZIEK 94, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met zetel te 1930 Zaventem, Marie Dallaan 39, ingeschreven in het handelsregister te Brussel, nummer 523.308,

  5. CAERTS & CAERTS, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met zetel te 1930 Zaventem, Maria Dallaan 39, ingeschreven in het handelsregister te Brussel, nummer 552.177,

  6. RONSE Olivier, met kabinet te 1190 Vorst, Zeven Bunderslaan 130, handelende in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement van de BVBA Van Der Velde,

  eisers,

  vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1083 Ganshoren, de Villegaslaan 33-34, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,

  tegen

  1. ZAVELPAND, vereniging van mede-eigenaars, met zetel te 1930 Zaventem, Kerkplein, Hoogstraat/Stationstraat , vertegenwoordigd door de syndicus, de NV Quesnoy,

  2. QUESNOY, naamloze vennootschap, met maatschappelijke zetel te 8573 Anzegem-Tiegem, Meuleberg 2,

  verweersters,

  vertegenwoordigd door mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1060 Sint-Gillis, Henri Wafelaertsstraat 47-51, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan.

  I. Bestreden uitspraak

  Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 26 oktober 1999 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel.

  II. Rechtspleging voor het Hof

  Raadsheer Ernest Waûters heeft verslag uitgebracht.

  Advocaat-generaal met opdracht Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

  III. Feiten

  De feiten worden als volgt in het verzoekschrift samengevat.

  Het geschil tussen partijen betreft de winkelruimten in een woon-, winkel- en bedrijvencomplex genaamd "Zavelpand" te Zaventem.

  De eisers kochten allen, in de periode september-oktober 1991, een winkelruimte in het toen nog op te richten complex "Zavelpand".

  Sinds 1995 beklaagden de eisers zich erover dat steeds meer winkelruimten, in strijd met de in de basisakte en het reglement van mede-eigendom overeengekomen bestemming, werden aangewend als kantoren, waardoor het karakter van "winkelcomplex" en "shopping-center" volledig teloor ging.

  De eisers beklaagden zich over het feit dat de mede-eigendom in de loop van 1995 veranderings- en verbouwingswerken had uitgevoerd waardoor de binnengalerijen voor vrije toegang door het publiek werden afgesloten.

  Op 4 december 1996 dagvaardden de eisers sub 1 en 2 de verweersters voor de Vrederechter van het kanton Zaventem. De overige eisers kwamen vrijwillig in het geding tussen.

  De eisers vorderden de veroordeling van de tegenpartijen, onder verbeurte van een dwangsom, tot het optreden in rechte tegen de mede-eigenaars of huurders die de winkelruimten niet gebruiken als winkel, en tot afbraak van de werken waardoor de winkelgalerijen voor het publiek werden afgesloten. Zij vorderden eveneens een provisionele schadevergoeding en de aanstelling van een deskundige om de waardevermindering van de winkelruimten en de gederfde inkomsten te ramen. Bovendien werd gevraagd voor recht te zeggen dat een herberekening zou worden gemaakt van de verdeling van de aandelen in de gemeenschappelijke delen en de wijze van verdeling van de lasten vanaf 1995.

  De verweersters stelden een tegenvordering in, strekkende tot veroordeling van de eisers sub 1 en 2 tot betaling van achterstallige bijdragen in de kosten van de mede-eigendom.

  Bij vonnis van 8 mei 1998 verwierp de vrederechter zowel de hoofdvorderingen als de tegenvordering.

  Ingevolge het hoger beroep van de eisers en het incidenteel beroep van de verweersters, bevestigde de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel, bij vonnis van 26 oktober 1999, het vonnis a quo inzoverre het de hoofdvorderingen van de eisers afwees. De tegenvordering van de verweersters werd gegrond bevonden, de eisers sub 1 en 2 werden veroordeeld tot betaling van 90.903 BEF, met intrest.

  IV. Middel

  De eisers voeren in hun verzoekschrift één middel aan.

  Geschonden wettelijke bepalingen

  artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994;

  de artikelen 577-9, §2, 577-9, §6, van het Burgerlijk Wetboek;

  artikel 2262 van het Burgerlijk Wetboek zoals van toepassing vóór de wijziging door artikel 4 van de wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring;

  de artikelen 2262 en 2262bis van het Burgerlijk Wetboek zoals van toepassing na de wijziging door de artikelen 4 en 5 van de wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring;

  de artikelen 10 en 11 van de wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring;

  de artikelen 702, 3°, 807, 1042 en 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek;

  het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging;

  het algemeen rechtsbeginsel van de autonomie der procespartijen, genaamd het beschikkingsbeginsel.

  Aangevochten beslissing

  Het bestreden vonnis verwerpt als onontvankelijk wegens laattijdigheid eisers' vorderingen, strekkende tot het horen zeggen voor recht dat een herberekening moet gemaakt worden van de verdeling van de aandelen in de gemeenschappelijke gedeelten en de wijze van verdeling van de lasten vanaf 1995, en strekkende tot aanstelling van een deskundige met als opdracht de rechtbank advies te verschaffen en een voorstel te formuleren tot herverdeling van de aandelen in de gemeenschappelijke gedeelten en de wijze van verdeling van de lasten, met bevestiging van het vonnis a quo, verklaart verweersters' tegenvordering opzichtens eerste en tweede eisers gegrond en veroordeelt deze laatsten dienvolgens tot betaling aan de verweersters van het bedrag van 90.903 BEF, te verhogen met de gerechtelijke intresten berekend op 83.803 BEF vanaf 16 januari 1998, en veroordeelt de eisers tot de gerechtskosten van beide aanleggen en dit op volgende gronden :

  "Wat de vordering inzake de herberekening van de gemeenschappelijke lasten betreft :

  Zoals uit het proces-verbaal van de algemene vergadering van 5 december 1995 blijkt werd met 4.607/5.482sten tegen deze herverdeling beslist. Zo (de eisers) meenden dat deze beslissing niet regelmatig genomen was, dienden zij hier ook binnen drie maanden na 5 december 1995 een vordering in te stellen hetgeen niet geschiedde, en integendeel werd de inhoud van dit proces-verbaal op de algemene vergadering van 27 maart 1996 voor zoveel als nodig goedgekeurd met eenparigheid van de stemmen.

  Wat de tegenvordering betreft :

  Dat (de eisers sub 1 en 2) op zich het gevorderde saldo op gemeenschappelijke lasten zoals berekend blz. 18 van de besluiten van 16 januari 1998 neergelegd voor de vrederechter (toen 101.664 BEF) en zoals nu berekend ingevolge nieuwe vervaltermijnen en inmiddels betaalde provisies (artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek), namelijk een saldo van 90.903 BEF volgens blz. 24 van de beroepsbesluiten van (de verweersters) niet betwisten" (vonnis p. 9).

  Voornoemde overwegingen zijn onder meer voorafgegaan door volgende consideransen :

  "Wat de wijziging van de bestemming van het onroerend goed betreft :

  Voor zover (de eisers) een verhaal wensten te oefenen tegen de bevindingen opgenomen in het proces-verbaal van de algemene vergadering van 5 december 1995, waarin gesteld werd dat inmiddels de winkelruimten tot kantoorruimten omgevormd werden, de termijn van drie maanden voorzien in artikel 577-9, §2, van het Burgerlijk Wetboek, om een vordering in te stellen hier begon te lopen vanaf 5 december 1995 zijnde bijna een jaar voor de dagvaarding. Bovendien werd dit proces-verbaal van enkele dagen nadien, namelijk 11 december 1995 nogmaals goedgekeurd op de algemene vergadering van 27 maart 1996 (punt 3), proces-verbaal aan de mede-eigenaars opgestuurd werd op 10 april 1996 en ook tegen de inhoud van dit proces-verbaal werd ook niet binnen drie maanden na 27 maart 1996 een verhaal ingesteld" (pag. 8, vierde lid).

  Grieven

  1.1. Eerste onderdeel

  De eisers steunden hun vorderingen in herberekening van de verdeling van de aandelen in de gemeenschappelijke gedeelten en van de wijze van verdeling van de lasten, in conclusie op volgende overwegingen :

  "1. Ongeacht wat door de Vrederechter werd beslist en wat in graad van beroep zou worden beslist in verband met de twee hoger behandelde punten spreekt het voor zich dat ingevolge de omvorming van de winkelruimte tot kantoorruimten enerzijds en het afsluiten van de vrije doorgang anderzijds, de gemeenschappelijke lasten zich op een totaal andere wijze voordoen;

  - Door de quasi-afwezigheid van winkelruimten op de benedenverdieping is er geen toestroming meer van cliënteel.

  - De gemeenschappelijke gedeelten zijn afgesloten.

  - Waarom moeten (de eisers) nog op dezelfde wijze bijdragen in het onderhoud van de gemeenschappelijke gedeelten op de benedenverdieping die niet meer vrij toegankelijk zijn en waarvan zij ten gevolge van de afsluiting en de afwezigheid van het gebruik van de lift geen gebruik meer kunnen maken en hen geen enkel voordeel van welke aard dan ook nog oplevert?

  2. Bij wijze van voorbeeld - afrekening 1998 - (ontvangen op 16 februari 1999 - stuk 25)

  Als 'onkosten' voor de winkels wordt in rekening gebracht :

  - onderhoud van gemeenschappelijke gedeelten.

  - diverse kosten, o.a. onderhoud liften ....

  Los van het feit dat de afrekening wordt betwist aangezien geen detail wordt voorgelegd spreekt het voor zich dat (de eisers) toch niet kunnen gehouden blijven op dezelfde wijze aangezien - in tegenstelling tot vroeger - zij geen enkel voordeel meer putten uit de gemeenschappelijke ruimten in de binnenzijde van het gebouw aangezien deze binnenzijde niet meer vrij toegankelijk is (zie hoger).

  De lift -welke binnen het gebouw kon worden gebruikt om zich te verplaatsen naar de benedenverdieping waar ook winkels waren- is voor het publiek niet meer toegankelijk aangezien het publiek geen vrije toegang meer heeft tot het gebouw. De lift wordt dienvolgens uitsluitend nog gebruikt door diegenen die de code kennen om zich toegang te verschaffen en de code kennen van de lift.

  Moeten (de eisers) nog op dezelfde wijze tussenkomen t.a.v. bv het onderhoud van de galerij binnen het gebouw nu deze galerij voorheen wél en thans helemaal niet meer vrij toegankelijk is?

  Er bestaat dienvolgens een fundamentele wijziging in de wijze waarop de verschillende mede-eigenaars tussenkomst moeten verlenen in de verschillende kosten.

  3. Artikel 577-9, §6, stelt dat elke mede-eigenaar aan de rechter kan vragen de verdeling van de aandelen in gemeenschappelijke gedeelten te wijzigen indien die verdeling onjuist is berekend of indien zij onjuist is geworden ingevolge aan het gebouw aangebrachte wijzigingen (1) of de wijze van verdeling van de lasten kan wijzigen indien deze een persoonlijk nadeel veroorzaakt, - evenals de berekening ervan kan wijzigen indien deze onjuist is of onjuist is geworden ingevolge aan het gebouw aangebrachte wijzigigen (2).

  De algemene vergadering heeft zich tegen deze wijzigingen verzet bij beslissing van 5 december 1995.

  Het hoeft geen betoog dat dit voornamelijk het gevolg was van de stellingname van de NV Ansinvest (Coch - tevens rechtstreeks belanghebbende in de syndicus NV Quesnoy) welke op deze algemene vergadering 7.038/10.000 vertegenwoordigde.

  Een groot gedeelte van de briefwisseling tussen (de eisers) enerzijds en de syndicus anderzijds had betrekking op deze problematiek.

  4. Ook hier beriepen (de verweersters) zich op de procesrechterlijke termijn van drie maanden en verklaarde de Vrederechter deze vordering ook onontvankelijk wegens beweerde overschrijding van deze termijn.

  Ook hier is dit een manifeste vergissing nu de procesrechterlijke termijn van drie maanden binnen dewelke sommige vorderingen moeten worden ingesteld op straffe van laattijdigheid niet van toepassing is. Deze termijn geldt immers enkel voor beslissingen genomen vanaf 1 augustus 1995 met betrekking tot de vordering zoals omschreven in artikel 577-9, §2 : 'Iedere mede-eigenaar kan aan de rechter vragen een onregelmatige, bedrieglijke of onrechtmatige beslissing van de algemene vergadering te vernietigen of te wijzigen. Deze vordering moet worden ingesteld binnen de drie maanden ... (artikel 577-9, §2).

  (De eisers) steunen hier op artikel 577-9, §6 : 'Iedere mede-eigenaar kan aan de rechter vragen ...1) De verdeling van de aandelen in de gemeenschappelijke gedeelten te wijzigen en ...2) De wijze van verdeling van de lasten te wijzigen..." (Artikel 577-9, §6).

  Voor deze laatste vordering is geen enkele termijn vastgesteld.

  Ook hier zal de Rechtbank vaststellen dat de eerste rechter hierover met geen woord rept en deze argumentatie - welke nochtans door (de eisers) werd ontwikkeld in hun eerste besluiten van 12 september 1997 (blz. 19, punt 2) - totaal onbeantwoord laat.

  4. Het past dan ook dat op kosten van de mede-eigendom een deskundige wordt aangesteld om een herberekening te maken en zijn advies desbetreffend aan de rechtbank voor te leggen" (appèlconclusie pp. 29-31, punt III.5 evenals in het beschikkend gedeelte van deze conclusie sub 4 en 5, tweede lid).

  Eerste en tweede eisers voerden wat de tegenvordering van de verweerders betreft, aan :

  "Het past dan ook dat de deskundige al deze punten behandelt aangezien de afrekeningen volledig moeten worden herwerkt in functie van de herverdeling van de quotiteiten en lasten overeenkomstig artikel 577-9, §6, eerste en tweede voor het verleden en voor de toekomst" (appèlconclusie p. 34, punt III.7, in fine)".

  De eisers voerden aldus op omstandige wijze aan dat hun vordering in herverdeling van de aandelen in de gemeenschappelijke gedeelten, en hun vordering in herverdeling van de lasten, steunden op artikel 577-9, §6, van het Burgerlijk Wetboek dat iedere mede-eigenaar toelaat dergelijke herverdeling aan de rechter te vragen op grond van de onjuistheid van de bestaande verdelingen ingevolge aan het gebouw aangebrachte wijzigingen, en dat hun vorderingen geenszins gericht waren tegen de beslissing van de algemene vergadering van 5 december 1995, en geenszins steunden op de onregelmatigheid, bedrieglijkheid of onrechtmatigheid van deze beslissing, zoals voorzien voor het verhaal geregeld door artikel 577-9, §2, van het Burgerlijk Wetboek.

  Het bestreden vonnis beperkt zich tot de vaststelling dat de algemene vergadering op 5 december 1995 tegen de herverdeling besliste en dat de eisers, indien zij meenden dat deze beslissing niet regelmatig genomen was, binnen de drie maanden na 5 december 1995 een vordering hadden moeten instellen. Het maakt zodoende toepassing van de in artikel 577-9, §2, van het Burgerlijk Wetboek neergelegde termijn.

  Het laat aldus echter na aan te duiden waarom, ondanks de door de eisers nauwkeurig gepreciseerde en gemotiveerde grondslag van hun vorderingen, deze vorderingen niettemin onontvankelijk moeten verklaard worden op grond van artikel 577-9, §2, van het Burgerlijk Wetboek.

  Hieruit volgt dat het bestreden vonnis, door eisers' conclusie terzake onbeantwoord te laten niet regelmatig met redenen is omkleed en derhalve artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet schendt.

  1.2. Tweede onderdeel

  Luidens artikel 577-9, §6, van het Burgerlijk Wetboek kan iedere mede-eigenaar aan de rechter vragen "1° de verdeling van de aandelen in de gemeenschappelijke gedeelten te wijzigen, indien die verdeling onjuist is berekend of indien zij onjuist is geworden ingevolge het aan gebouw aangebrachte wijzigingen; 2° de wijze van verdeling van de lasten te wijzigen, indien deze een persoonlijk nadeel veroorzaakt, evenals de berekening ervan te wijzigen, indien deze onjuist is of onjuist is geworden ingevolge aan het gebouw aangebrachte wijzigingen".

  De wet schrijft geen bijzondere termijn voor voor het uitoefenen van deze rechtsvordering zodat de gemeenrechtelijke termijnen, neergelegd in de artikelen 2262 en volgende van het Burgerlijk Wetboek, van toepassing zijn.

  Artikel 577-9, §2, van het Burgerlijk Wetboek, laat iedere mede-eigenaar toe aan de rechter te vragen een onregelmatige, bedrieglijke of onrechtmatige beslissing van de algemene vergadering te vernietigen of te wijzigen, en schrijft voor dat deze vordering moet ingesteld worden binnen drie maanden te rekenen van de kennisname van de beslissing.

  De vorderingen, voorzien in artikel 577-9, §6, van het Burgerlijk Wetboek, en deze voorzien in artikel 577-9, §2, van hetzelfde wetboek, hebben een duidelijk onderscheiden voorwerp.

  Het enkel bestaan van een negatieve beslissing van de algemene vergadering over de herverdeling van de aandelen en de lasten, brengt niet met zich dat een latere vordering van een mede-eigenaar, gestoeld op artikel 577-9, §6, van het Burgerlijk Wetboek, noodzakelijk de onregelmatigheid, bedrieglijkheid of onrechtmatigheid van de beslissing van de algemene vergadering, in de zin van artikel 577-9, §2, van het Burgerlijk Wetboek zou betreffen.

  Uit eisers' appèlconclusie, zoals weergegeven in het eerste onderdeel en hier uitdrukkelijk hernomen, blijkt dat de oorzaak van eisers' vorderingen, met name het rechtsfeit dat de onmiddellijke grondslag van die vorderingen vormde, de onjuistheid was van de huidige verdelingen ingevolge aan het gebouw aangebrachte wijzigingen, zoals voorzien in artikel 577-9, §6, van het Burgerlijk Wetboek, en dat het voorwerp van hun vorderingen, met name de aanspraak die zij lieten gelden, de herverdeling was van de aandelen in de gemeenschappelijke gedeelten en van de lasten, zoals voorzien in artikel 577-9, §6, van het Burgerlijk Wetboek.

  Uit eisers' appèlconclusie blijkt tevens dat hun genoemde vorderingen geenszins steunden op een onregelmatigheid, bedrieglijkheid of onrechtmatigheid van de beslissing van de algemene vergadering van 5 december 1995, zoals voorzien in artikel 577-9, §2, van het Burgerlijk Wetboek, en geenszins de vernietiging of wijziging beoogden van deze beslissing van de algemene vergadering, zoals voorzien in artikel 577-9, §2, van het Burgerlijk Wetboek.

  Het bestreden vonnis verwerpt eisers' vorderingen in herverdeling van de aandelen en de lasten omdat de eisers binnen de drie maanden na 5 december 1995, zijnde de datum waarop de algemene vergadering tegen de herverdeling besliste, de onregelmatigheid van deze beslissing van de algemene vergadering niet hebben aangevochten evenmin als de daaropvolgende beslissing van 27 maart 1996, waarbij de inhoud van het proces-verbaal van voornoemde vergadering met eenparigheid van stemmen werd goedgekeurd; het bestreden vonnis maakt zodoende op eisers' vorderingen toepassing van de in artikel 577-9, §2, Burgerlijk Wetboek neergelegde termijn.

  Hieruit volgt dat het bestreden vonnis niet wettig op grond van de redenen die het bevat eisers' vorderingen in herverdeling van de aandelen in de gemeenschappelijke delen en in herverdeling van de lasten, zoals hiervoren omschreven, kon verwerpen evenmin als verweerders' tegenvordering gegrond kon verklaren zonder herberekening der lasten (schending van de artikelen 577-9, §6, en 577-9, §2, van het Burgerlijk Wetboek alsook 2262 van het Burgerlijk Wetboek, zoals van toepassing vóór de wijziging door artikel 4 van de wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring, 2262 en 2262bis van het Burgerlijk Wetboek, zoals van toepassing na de wijziging door de artikelen 4 en 5 van de wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring, 10 en 11 van de wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring), hierbij tevens op onwettige wijze de oorzaak en het voorwerp van eisers' vorderingen wijzigende (schending van de artikelen 702, 3°, 807, 1042 en 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek en van het algemeen rechtsbeginsel van de autonomie der procespartijen) evenals eisers' recht op verdediging miskennende (schending van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging).

  V. Beslissing van het Hof

  1.1. Tweede onderdeel

  Overwegende dat de paragrafen 2 en 6 van artikel 577-9 van het Burgerlijk Wetboek, onderscheiden vorderingen beogen;

  Overwegende dat artikel 577-9, §6, bepaalt dat iedere mede-eigenaar aan de rechter kan vragen :

  1° de verdeling van de aandelen in de gemeenschappelijke gedeelten te wijzigen, indien die verdeling onjuist is berekend of indien zij onjuist is geworden ingevolge aan het gebouw aangebrachte wijzigingen;

  2° de wijze van verdeling van de lasten te wijzigen, indien deze een persoonlijk nadeel veroorzaakt, evenals de berekening ervan te wijzigen, indien deze onjuist is of onjuist is geworden ingevolge aan het gebouw aangebrachte wijzigingen;

  Overwegende dat §2, eerste lid, van dit artikel bepaalt dat iedere mede-eigenaar aan de rechter kan vragen een onregelmatige, bedrieglijke of onrechtmatige beslissing van de algemene vergadering te vernietigen of te wijzigen;

  Dat het tweede lid van §2 bepaalt dat die vordering moet worden ingesteld binnen drie maanden te rekenen van het tijdstip waarop de belanghebbende kennis heeft genomen van de beslissing;

  Overwegende dat de termijn van drie maanden vanaf de kennisneming van de beslissing van de algemene vergadering aldus enkel geldt voor de vorderingen die opkomen tegen onregelmatige, bedrieglijke of onrechtmatige beslissingen van de algemene vergadering en niet voor de vordering ingesteld op grond van artikel 577-9, §6, van het Burgerlijk Wetboek dat geen voorafgaande beslissing van een algemene vergadering vereist;

  Overwegende dat uit het voorgaande volgt dat de vordering op grond van voormeld artikel 577-9, §6, niet onderworpen is aan de termijn voor het instellen van de vordering bepaald in artikel 577-9, §2, ook al heeft de algemene vergadering over de betwisting reeds een beslissing genomen;

  Overwegende dat het bestreden vonnis vaststelt dat de in het middel bedoelde vordering ertoe strekt te zeggen voor recht dat een herberekening zal dienen gemaakt te worden van de aandelen in de gemeenschappelijke gedeelten en in de gemene lasten sinds 1995;

  Dat het bestreden vonnis die vordering van de eisers afwijst op grond dat zij meer dan drie maanden na de algemene vergadering van 5 december 1995 is ingesteld; dat het hierbij aansluitend de tegenvordering van de verweersters toewijst;

  Dat het bestreden vonnis aldus artikel 577-9, §6, van het Burgerlijk Wetboek schendt;

  Dat het middel gegrond is;

  2. Overige grieven

  Overwegende dat de overige grieven niet tot ruimere cassatie kunnen leiden;

  OM DIE REDENEN,

  HET HOF,

  Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre dit de vordering van de eisers strekkende tot wijziging van de aandelen van de eisers in de gemeenschappelijke gedeelten en tot wijziging van de verdeling van de lasten niet ontvankelijk verklaart, de tegenvordering van de verweersters inwilligt en uitspraak doet over de kosten;

  Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis;

  Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over;

  Verwijst de aldus beperkte zaak naar de Rechtbank van Eerste Aanleg te Leuven, zitting houdende in hoger beroep.

  Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, afdelingsvoorzitter Robert Boes, de raadsheren Ernest Waûters, Greta Bourgeois en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van vier april tweeduizend en twee uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Dirk Thijs, met bijstand van eerstaanwezend adjunct-griffier Lisette De Prins.